Home

Copyright © All Rights Reserved

STRIPTEASE VOOR GELETTERDEN

 

Theater en seks-appeal, cultuur en rooie oortjes: dat het geen natuurlijke vijanden zijn, bewijst Lucinda Dusoleil in het Gentse theater Tinnenpot.

Daar gaat de voorstelling “Mieke Maaike’s Obscene Jeugd” vanaf juni 2014.

De bijwijlen bedwelmende Lucinda gaat subtiel uit de kleren terwijl ze een monoloog brengt die gebaseerd is op een van de meest scabreuze boekjes van de Aalsterse schrijver, anarchist en “viezentist” Louis Paul Boon. Mocht Boon nog geleefd hebben, hij was van deze voorstelling wellicht niet weg te slaan.

Lucinda Dusoleil is de vleesgeworden Mieke Maaike, het stoute meisje dat genot schept in seks en haar bewonderaars zoetjes alle kanten van de kamer laat zien. Maar of Lucinda nu met pikant ondergoed goochelt of naakt en op handen en voeten wegkruipt over het podium: vulgair of plat wordt het vreemd genoeg nooit.

 

Jean Paul MULDERS

Louis Paul Boon, erotomaan, wetenschapper of filosoof?

Naar aanleiding van de opvoering “Mieke Maaike’s Obscene Jeugd”

 

 

Een tekst als deze van Louis Paul Boon, “Mieke Maaike’s Obscene Jeugd”, in het kader van een programma wetenschapsvoorlichting (1) brengen, geef toe, het gebeurt zelden buiten de kringen rond de VUB. Maar het moet kunnen. Kunsteducatie, enerzijds, als het bijbrengen van de regels van de kunst, en anderzijds, als het openen van de socio- culturele wereld via de kunst, mag evenmin als het medium kunst zelf, grenzen kennen, ten zijn om ze te overschrijden.

Er is nog een andere link te leggen naar de filosofie, die overigens arm in arm wandelt met de gelijksoortige literatuur. Eerder dan een tekst, zoals “Mieke Maaike’s Obscene Jeugd”, in de duisterheid te plaatsen kan men hem beter in het licht zetten van een oude culturele traditie. Weliswaar Westers maar ook bevestigd door vele andere culturen waarin de ars amandi een grote rol speelde.

De Westerse cultuur is een huwelijk tussen de oude Griekse filosofie en het Christendom. Binnen die Griekse filosofie bestonden twee stromingen waarvan er een verdrukt werd. Het materialisme van o.a. Epicurus heeft het niet gehaald van het idealisme van Plato. Hoewel Socrates soms meer oog had voor het kontje van Alkibiades, de goddelijk mooie filosofiestudent, dan voor het wezen der dingen, verdedigde hij toch in de platoonse dialogen een wereld waarin de waarheid ver te zoeken was buiten de zintuiglijke wereld. Dit zou de definitie van “idealisme” kunnen zijn. Het materialisme daarentegen vertrekt van deze lichamelijke zintuiglijkheid als enig gegeven.

Of het genot van de lust

Mieke Maaike's obscene jeugd van Louis-Paul Boon heeft een hele generatie

geïnspireerd of geïrriteerd.

Hij was de meest extreme exponent van het Modernisme in de nederlandstalige literatuur, een vorm-vernieuwer, een "radicale literaire wolf". "Mieke Maaike's Obscene Jeugd" moest een soort tegengif vormen, in een poging zijn eigen imago te ondergraven, en de bestaande orde in verlegenheid te brengen.

Boon ontwaarde een superieur meisje in een wereld van lust, die overborrelde van sexuele kracht en scheppingsdrang, die zichzelf het liefste gezien moet hebben als een symbolische vulkaan van "genot". Genot is niet zomaar het enkelvoud van genieten. We genieten allemaal, maar Genot is iets anders. Er kleeft iets verdachts, iets zondigs, iets ontoelaatbaars en frivools aan het woordje. Genot, écht genot, is individueel en elitair, is gevaarlijk, overtreedt de wetten en geplogenheden, brengt de maatschappelijke regels in gevaar. Seks - geheime, verboden, overspelige seks - verschaft het genot bij uitstek en in de jaloerse ogen van diegenen die niet meegenieten, is het OBSCEEN. Dat primaire, dat "alfa" is in tastbare en materiële vorm gegoten Het straalt erotiek en vitaliteit uit. Bij die erotiek wordt seks een absolute waarde, en is er geen liefde zonder sperma en ander lichaamsvocht. Zij brengt een vorm van voyeurisme met een artistisch, esthetisch alibi.

 

Afrodite is in deze filosofie een experimentele vrouw die het liefdesspel leidt. Plato, daarentegen, heeft ook Afrodite getweedeeld, nl. in een Hemelse, die model staat voor het Schone en in een Vulgaire met een lichamelijke praktijk. Reeds in de eerste eeuw na Christus smelt het ideeëngoed van Plato samen met het Christelijke geloof. “Het Christendom is platonisme voor het volk” noemt Nietzsche dat. De haat tegen het lichaam is voor eeuwen tot op heden de baan op. De vrijmoedigheid in het spreken over het liefdespel wordt vervangen door een sfeer van schuldgevoel.

Toch krijgt men het materialisme niet dood. Het blijft een smeulend vuur. Diogenes masturbeerde zich op de agora en betreurde dat zijn honger niet gestild werd door de buik te strelen. Epicurus raadde aan de voortplantingsklieren tijdig te lozen en vooral geen liefdesverdriet te riskeren. Hun literaire geestesgenoten, Ovidius, Martialis en Petronius, beschreven hoe dat te doen.

Het materialisme heeft niet alleen intellectuele ondersteuners en beoefenaars, de cultuur van het volk deelt dezelfde wijsheid, verschillend van de als haringen opgelegde waarheid. De Russische literatuurspecialist Bakhtin besloot uit de studie van Rabelais dat er tegenover de officiële cultuur van de kerk en staat een onderdrukte volkscultuur met andere, nl. materialistische, waarheden steeds is blijven leven. Het Carnaval, ode aan de materiële lichamelijkheid, is een moment waarop dit o.a. tot uiting komt. De relatie tussen het oeuvre van Boon en de volkscultuur is overigens zeer groot.

Maar de erudieten hebben niet stil gezeten. In de Renaissance wordt Epicurus terug opgerakeld door Gassendi. In de zeventiende eeuw is de erotiek ronduit het middel om anti-officieel te zijn en krijgt deze houding zelfs een naam, nl. de libertijnen. De achttiende eeuw kent de Sade die door de theoretici van de twintigste eeuw uit de verdomhoek gehaald werd als een filosoof met een zeer rake kijk op de maatschappij: Sade, mijn naaste. De negentiende eeuw brengt Marx voort die aan het materialisme een zeer ruim theoretisch kader gegeven heeft. Zijn doctoraat handelde overigens over Epicurus. Freud ontwikkelde een theorie waarin de drijfkracht van de seksualiteit centraal staat en die kinderseksualiteit bespreekbaar maakt (ondertussen weer iets minder). Nietzsche haalde er de god Dionysus bij om tegen de redelijkheid van Apollo plaats te creëren voor de roes in de beaming van het leven. “Het christendom heeft Eros gif doen drinken” stelde Nietzsche kort en goed. In de twintigste eeuw is het Bataille, overigens een nietzscheaan, die het erotisme bevrijdt uit de duisternis van de schaduw die ontstaat bij rationele overbelichting. Een stap verder betoogt Foucault in zijn “Geschiedenis van de seksualiteit” voor het herinvoeren van de ars erotica, de liefdeskunst, omdat deze aangelegenheid versmacht wordt in een “scientia sexualis”, zeg maar de seksuologie.

Wanneer men Boons Mieke Maaike’s tekst in dit licht ziet, krijgt hij, denk ik, een andere dimensie. Zoals de meeste erotische teksten kenmerkt hij zich door de exuberantie eigen aan het lustverlangen. De mythe van de omni-potentie van de man gekruist met deze van de onbevredigbaarheid van de vrouw worden hier ten volle gehuldigd. Deze overdrijving behoort tot het genre en tot de beaming van het leven. Maar ook hierin is dat soort straffe verhalen een scherpe kritiek op te rationalistische verklaringen van mens en wereld. De kracht die deze theorieën toemeten aan de rede is vaak even overdreven als deze die de erotici aan de betreffende organen verlenen in hun verbeelding. Dus niet alleen het erotisme ook het rationalisme heeft zijn mythische dimensie. Quod erat demonstrandum.

 

Prof. Dr. Willem Elias

Gewoon Hoogleraar VUB

 

Noten

1) Voorstelling gespeeld door Lucinda Dusoleil op 21-12-04 in de VUB- Aula, georganiseerd door UPV en Dienst Cultuur VUB. De voorstelling is te zien in de Tinnenpot te Gent.

2) M. Foucault, De woorden en de dingen, Ambo, Bilthoven, 1973, p. 14

Mieke Maaike’s GLAMOURTONEEL

 

Glamourtoneel is gebruik maken van de prikkelende dubbelzinnigheid van

het beeld om een suggestieve erotische meerwaarde te geven. Glamourtoneel heeft echter alleen maar zin in zoverre er een onderscheid kan gemaakt worden tussen personage en vertolker.

Scherp stellen op het fascinerende breekpunt waar het lichaam van de vertolker doorheen het gewaad van het personage barst.

 

Glamourtoneel moet blijk geven van onstuimige lichamelijkheid, weelderige-vleeselijke sensualiteit, fragiele flirtige sexualiteit passen in de benadering.

Het lichaam is niet langer een robuuste oninneembare vesting maar een sensuele oppervlakte die betast wil worden.

Een zorgvuldig geënsceneerde fantoom van vlees en bloed, zonder gêne.

 

 

Dit laatste is ook de kern van de betekenis van betreffende tekst binnen een cultuurfilosofisch perspectief. Was Boon een “Viezen tist”, zoals men dat in onze streek, deze van Aalst, pleegt te noemen, of leverde hij met de behandeling van dit soort thema’s een bijdrage aan een doorgaans onderdrukt aspect van de menselijke cultuur, nl. daar waar de mens de driftmatigheid van zijn natuur via allerlei omwegen pleegt te volgen? De omweg als cultuurprincipe. Is deze interesse voor het erotische een duister kantje van onze sociaal geëngageerde auteur, die aan anderen – niet aan zichzelf – een geweten probeerde te schoppen, of is het gewoon een van zijn lijfthema’s?

Zonder me in de vaargeul van de literatuurwetenschappen te wagen, vind ik drie Bonen terug: de socialist, de anarchist en de erotomaan. De socialist is deze van “Mijn kleine oorlog” en de “Vergeten Straat”, waarin hij de volksmens beschrijft in al zijn grote miseries en kleine vreugdes. Het zijn teksten waarin agogen dagelijks zouden moeten brevieren. Een postuum doctor honoris causa voor de Sociale Culturele Agogiek zou hier niet misstaan. Een ander aspect van dit socialisme als attitude zijn zijn historisch gedocumenteerde boeken, zoals Priester Daens. Of ze beter zijn dan zijn beschrijvende laat ik hier niet aan bod komen. Verdienste is zeker dat ze aansluiten bij een nieuw soort geschiedeniswetenschap die het socio – economische gebeuren belangrijker studiemateriaal vindt dan de Grote Oorlogen. Dan is er ook Boon, als anarchist, die ingaat tegen de profiterende machthebbers. Boon, als dwarsligger, die sympathie toont voor de opstanden van het volksprotest en hun eigen helden, zo bv. in “Jan De Lichte” en “De Zwarte Hand”. De derde is Boon de erotomaan. Op dit facet wil ik hier verder ingaan. De indelingsnaam zelf is al verkeerd. Het plaatst het thema van de eros binnen een manie, binnen de afwijkingstheorieën van de psychologie. Het is interessanter om de erotische interesse van Boon te kaderen binnen een positieve ingesteldheid à la Bataille, een min of meer generatiegenoot. Deze Franse Filosoof stelde dat het erotisme de levensbenaming is tot in de dood. Met “erotisme”, nl. de natuurlijke driftmatigheid omzetten in culturele handelingen heeft men hier alleszins te doen. Meer dan 20.000 afbeeldingen verzamelen van vrouwen die op zijn minst iets tonen van wat volgens het burgerlijk fatsoen bedekt dient te blijven, is geen hobby meer. En dat deed Boon met zijn “Fenomenale Feminatheek”. Deze verzameling is een ode aan de beeldcultuur vanwege een schrijver, die het verstand had tijdig in te zien dat stoppen met zijn oorspronkelijke plan, nl. schilder worden, een goed gedacht was, wegens ietwat te weinig talent.

Dit magnum opus van het erotische beeld is tevens een goed voorbeeld om de vraag te stellen naar het onderscheid tussen de kunstenaar, de wetenschapper en de filosoof. De drie wapenbroeders worden doorgaans in andere categorieën ondergebracht, wat hen niet belet activiteiten aan de dag te leggen die sterk op dat van de buren gelijkt. De “Fenomenale Feminatheek” is hiervan een mooi voorbeeld.

Boon voegt hier daarenboven een vierde broertje aan toe: de erotomaan. Is er inderdaad veel verschil tussen de voyeur en de wetenschapper, of het nu een micro- of een telescoop kijker is dan wel een fenomenoloog, die de essentie van het ding wil laten spreken? Ook wetenschap is de manie om het studie-object indringend te observeren. Dit binnendringen is inderdaad een gemeenschappelijke vorm van handelen, zowel voor de doctus als voor de eroticus. Kenmerkend voor het erotisme als culturele houding is dat men het verzamelde materiaal in een bepaalde context plaatst, buiten de procreatie. Dit is een ordening zoals in de wetenschap, weliswaar op een andere basis. Wetenschappers leggen deze ordening vast in een tekst. Is schrijven niet een vorm van liefde bedrijven? De structuur van de tekst; nl. inleiding / voorspel – argumentatie / spel – besluit / naspel, wijst ook in die richting.

Precies in die ordening sluit Boon goed aan bij een filosofische vraag naar wat is de geldigheid van de indeling. Wanneer men de categorieën overziet waarin Boon zijn beeldmateriaal ingedeeld heeft, dan zou dit een reden kunnen zijn om hem geen wetenschapper te noemen. De categorieën zijn te gek om los te laten. Ik noem er een paar van de 144: “1. Heet kind-vrouwtje; 5. Originele prentkaarten met blote meisjes der jaren 1900; 8.b Uit naturistenboekjes vanaf 1920 tot 1965; 10.b De engeltjes; 15. Het naakt verovert de straat; 17. Het typische der vrouw; 19. De uitnodigende vrouw; 21. Het ondergoed; 33. Verschillende vormen der tieten; 39. De symboliek; 47. De muis; 66.Het wapen van de minnaar; 71. De afwijkingen; 83. Foto’s tot en met 1969; 99.Brigitte Bardot; 114. De Belgische en de Hollandse; 140. De geelhuidige; 144. Buiten de reeks: Catherine en Agnes Spaak.” Met dit soort indelingen zou een antropoloog weinig succes oogsten bij de verdediging van een doctoraat. Maar hier kunnen we naar de filosofie overgaan waar alle vaste structuren door elkaar geschud worden. De index van de Feminatheek doet me denken aan de inleiding van “Les mots et les choses” van Foucault. Hij verklapt daarin dat de geboorteplaats van zijn boek een tekst van Borges is. Hij vertelt over een bepaalde Chinese encyclopedie, waarin geschreven staat dat ‘de dieren kunnen worden verdeeld in: a) die de Keizer toebehoren, b) gebalsemde, c) tamme, d) speenvarkens, e) sirenen, f) fabeldieren, g) loslopende honden, h) die in deze indeling voorkomen, i) die in het rond slaan als gekken, j) ontelbare, k) die met een fijn, kameelharen penseeltje getekend zijn, l) et caetera, m) die juist een kruik gebroken hebben, n) die uit de verte op vliegen lijken.’ Lachend besluit Foucault hieruit: “Bij de verbazing over deze taxonomie bereiken we in één sprong, wat ons dank zij deze fabuleuze opsomming als exotische betovering van een ander soort denken wordt opgedist, namelijk de grens van ons eigen denken: het is zonder meer onmogelijk, dat tot object van ons denken te maken” (2)

Ook Boon doorbreekt de geijkte categorieën. Hierdoor plaatst hij zich in een tussengebied tussen kunst en wetenschap. Dit is een interessante locatie omdat ze ontglipt aan een aantal beperkingen van de wetenschap, o.a. een gebrek aan vrijheid om de bestaande methodologische criteria te verlaten. De kunstenaar grijpt wel die vrijheid. Hij heeft ook enkel die vrijheid. In dit tussengebied ontstaan schatten aan culturele informatie. Welk project zou van het Vlaams Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek de middelen krijgen om een vorser twintigduizend naaktprentjes te laten verzamelen? Nochtans overvloedig voer voor semiotici. Ook dit is origineel bij Boon. Hoewel de Vlaamse filosofen van zijn generatie, nog volop fenomenologen zijn die zouden zoeken naar de “essentie” van “de” vrouw, zag hij de afwezigheid van die ware aard in, en verving ze door de som van alle mogelijke verschillende verschijningen. De naaktbeelden worden tekens van de verscheidenheid.